In de lift

Ik ben niet zo van de liften dus wanneer ik slechts één verdieping hoger hoef te zijn, ga ik altijd met de trap. Alleen die ene keer niet. Ik stapte op de begane grond in en drukte op 1. De deuren gingen dicht, en verder gebeurde er niets. Ik drukte op de knop om de liftdeur open te maken en stapte uit. Ik was echt nog steeds op de begane grond.

Ik herhaalde mijn actie; wederom zonder het gewenste resultaat. Ik verliet de lift en wandelde naar het facilitaire meldpunt wat vlakbij op de begane grond gevestigd was en maakte een melding.

Al teruglopend zie ik twee collega’s in de lift stappen. De deuren gingen dicht en ik zag aan het nummer boven de lift dat deze ook echt omhoog ging. Naar de tweede verdieping nog wel. De 3 bleef donker. Toen viel het kwartje.

Ik wandelde terug naar het facilitaire meldpunt. Een van de medewerkers was net met de technische dienst aan het bellen, om snel een monteur ter plekke te krijgen. Laat maar, zei ik met het schaamrood op de kaken. De lift doet het gewoon. Ik was alleen even vergeten dat we hier al op de begane grond beginnen met tellen, en dat de lift natuurlijk niet naar 1 gaat, als je al op 1 bent.

Tegenwoordig hangt er een plaatje naast knop 1 met de tekst begane grond.

Hoe ik hier zo op kom? Ik lees net een onderzoek waarin wordt beweerd dat de knop deur dicht in de lift niets doet maar pure psychologische oorlogsvoering is. Ik geloof het direct.

Het gebouw op de foto, aan de overkant van de rivier, is het gebouw waar ik zo onnozel op de verkeerde knop drukte.

Laat mij grijs worden…

Een paar weken geleden ging ik naar de winkel en kocht breigaren. Vol enthousiasme maakte ik een proeflapje. Op basis van het proeflapje berekende ik dat ik 120 steken nodig had voor de boord van een trui van 50 cm breed. 120 steken was best proppen op de naalden. Dat had de eerste waarschuwing moeten zijn.

Bezig met de laatste pen van de boord, nam ik even de tijd om deze te meten. Ik kwam uit op zestig plus centimeter. Trok ik de boord uit? Neehhh… Zonde van mijn werk. Wel besloot ik om de trui net zo breed te maken als de boord en geen steken bij te maken.

Gestaag breide ik door. Nog 55 centimeter rechts averechts, en toen nogmaals 5 centimeter boord. Inderdaad, ik ben van de simpele truien. Gewoon vier rechthoeken die aan elkaar worden gezet.

Gisterenavond was het eerste pand klaar. Van de pennen af. Tijd om goed te meten. De lap bleek 75+ centimeter breed te zijn. Breder dan dat-ie lang was. Zelfs in de tijd dat ik 10 plus kilo’s zwaarder was, had ik niet zoveel stof nodig.

Ik deed wat ik al veel eerder had moeten doen. Ik trok het voorpand (of achterpand) uit en sloeg aan het herberekenen. Dadelijk begin ik aan poging 2. Met nog slechts 80 steken. Had ik dat meteen gedaan, was ik nu halverwege het tweede pand geweest.

Grijs is het nieuwe blond. De hoogste tijd dat ik grijs word. Pfff.

Doe eens rustig

De laatste weken zijn mijn agenda en dagen gevuld met het printerproject. Nieuwe machines worden geplaatst, oude machines verwijderd of voorzien van nieuwe software. Om het simpel te houden. Nieuwe software is zelden simpel. Al snel vlogen de meldingen ons om de oren. Het menu was niet compleet, persoonlijke codes werden geweigerd, kleur leek het apparaat niet te kennen en het scannen ging ook naadje pet. Ikzelf werkte een aantal dagen op locatie, maakte gebruik van een nieuwe printer en had nergens last van. Tot ook ik tegen een onvolledig menu aanliep.

Er werd hard gewerkt om de oorzaak van de problemen te achterhalen. De printcode bleek veroorzaakt door een menselijke fout, het menu zat in de software (om het makkelijk te houden). Het niet in kleur kunnen printen zat mij dwars, net als de problemen met het scannen. De meldingen waren inconsistent. Toen ik alle meldingen naast elkaar had gelegd had ik voor de apparaten A t/m I evenveel meldingen dat zij het niet of dat zij het wel deden.

Ik ging polshoogte nemen en concludeerde dat twee apparaten echt niet scande, eentje vastliep tijdens het scannen, en een apparaat zo weinig werd gebruikt (want weggestopt op zolder) dat het permanent in slaapstand verkeerde en tijd nodig had om op te warmen. Afgelopen dnsdag werd het probleem met de software gefixt en toen ik woensdag tegen de klok van 10 uur het pand verliet functioneerde alle apparaten naar behoren én had ik heel wat medewerkers figuurlijk aan het handje genomen om hen kennis te laten maken met de inns maar vooral outs van de machines. Mijn meest gebruikte kreet was Doe nou eens rustig aan. Zelfs het in kleur printen bleek geen issue te zijn… als de gebruiker maar de tijd nam om de kleurenopdracht te bevestigen.

Donderdag tegen een uur of drie had ik eindelijk tijd om even te lunchen. Ik ging voor pureersoep. Vijf minuten fruiten, 15 minuten laten pruttelen en dan pureren. Met mijn oor gespitst om geen inkomende mail te missen verdween de staafmixer in de pan. Met mijn duim op de aanknop liet ik de staafmixer haar werk doen. Liet de aanknop los, verplaatste de mixer een beetje, drukte de knop weer in. Rustig aan. Ik begon net aan de tweede verplaatsing toen ik een mail binnen hoorde komen. In mijn haast vergat ik de aanknop los te laten. De oranje klodders vers gepureerde wortel/pompoensoep vlogen in het rond.

Nee, het behang is niet geraakt, net zo min als mijn kleren. Meer geluk dan wijsheid btw. Terwijl ik de kookplaat schoonmaakte zei ik vermanend tegen de staafmixer Doe toch eens rustig aan! De staafmixer zei niets, keek mij slechts beschuldigend aan. Zucht. Ik ben geen haar beter dan de gemiddelde eindgebruiker.

Gelukkig heb ik een excuus

Gevoelsmatig ging de wekker te vroeg, afgelopen vrijdag. Ik slinger mijn benen over de rand van het bed en realiseer mij dat het frisjes is. Te fris om in alleen een hemdje de dag op te starten. Mijn hand zoekt naar mijn pyjamablouse maar vind niks. Nog half slapend vind ik het best en pak mijn trui. Een mens moet toch wat.

De rest van de vrijdag zoek ik telkens wanneer ik op mijn slaapkamer kom naar de pyjamablouse. Ik til het dekbed op. Controleer de kussens of het niet in een sloop is geslopen. Kijk onder het bed. Til de matras op om te checken of dat ding niet bij het voeteneinde naar beneden is gezakt. Ik kijk onder dekens, achter de dekenkist, onder de linnenkast, maar niks, noppes, nadah.

Zaterdag zoek ik verder. Kijk in beide wasmanden, tuur achter de wasmachine, kruip onder het wasmeubel. Ik kijk zelfs in de tijdmachine (die staat vol water) en in de zakdoekenmand. Je weet maar nooit. Ik loop zelfs het stapeltje was van Zoon na wat nog op tafel ligt. Hoewel dat laatste natuurlijk niet kan, want dat is schone was en de pyjamablouse heb ik al aangehad, dus…

Tegen half twaalf ga ik naar bed. Ik trek mijn pyjamabroek aan, vraag mij af waarom ik met dit week een broek van flanel aan heb, en weet ineens waar de bijbehorende bloes is. Die heb ik samen de dunne pyjamabroek woensdag gewassen omdat na drie dagen koorts dat ding wel aan een wasbeurt toe was. De pyjamablouse ligt gewoon in de linnenkast.

Gelukkig heb ik een excuus en hoef ik mij verder nergens zorgen over te maken: koorts doet rare dingen met je geheugen. Toch?

Rondje nostalgie

De hittegolf ligt definitief achter ons. De parasol in haar beschermhoes is overgeleverd aan regen en wind. Het tikkende en klepperende geluid roept herinneringen op aan ooit. Ik ben groot gegroeid met kamperen. De eerste zes jaar van mijn leven bracht ik elke schoolvakantie en een groot deel van de weekenden door in een tent op een camping aan zee. Later werd de tent ingeruild voor een caravan, Zeeland voor andere oorden.

Het geklepper van de beschermhoes maakt dat ik terug ga in de tijd. Ik zit met de hele familie rond de tafel in de voortent. Pesten, jokeren, rummikub-en, kletsen. Warm aangekleed, de kachel aan. Niemand die mij iets maakte.

Wanneer de regen op de beschermhoes tikt lig ik ineens weer in mijn warme slaapzak op een luchtbed in dat kleine tentje. De wetenschap dat je nergens naar toe hoeft maakt het getik knus. Huislijk. Ook blaas vullend. Al knijpend weet ik het moment waarop ik niet langer kan blijven liggen zo lang mogelijk uit te stellen. Rillend kruip ik uit mijn slaapzak. Trek een paar schoenen en een trui aan. Rits de tent open. Een grote zak water verteld mij dat het luifeltje niet goed is afgespannen. Naar buiten kruipen betekend een natte pyjamabroek. Dat probeer ik kost wat het kost te voorkomen. Op mijn hurken, diep in elkaar gedoken, schuifel ik naar voren. Onder de luifel vandaan.

Ik kom overeind. Net iets te vroeg. De zak water eindigt in mijn nek. Mijn blaas gilt het uit. Zowel het toiletgebouw als de voortent van de caravan van mijn ouders is ineens te ver weg. Ik duik achter mij tent. Precies op tijd. Ik was alleen de brandnetels vergeten.

Ik weet weer waarom ik niet meer kampeer.

Wat een pech, bankpas weg…

Toen Moeltje zondag zei dat ik volgende week weer pechvrij zou zijn, tilde ik daar niet zo zwaar aan. Kopjes genoeg. Maar ja. Als het uranium Uranus voorbij streeft en de vissen weigeren als brave sushi op de weegschaal te gaan liggen, en de melk weg is zodat zon en maan achter de melk aan gaan dan staat er ineens meer ellende in de sterren geschreven.

Eigenlijk begon die ellende een paar weken geleden al. In een poging mijn privé gegevens van mijn werktelefoon te verwijderen, wiste ik de gehele contactlijst. De telefoon vroeg nog, weet je het zeker en ja, ik wist het zeker. Ik was alleen vergeten dat de synchronisatie met mijn privé account nog aan stond. Echt, het schoont enorm op.Dankzij what’s app heb ik op één na alle belangrijke telefoonnummers teruggevonden. Dacht ik.

Vorige week wilde ik een afspraak maken met de kapster maar helaas bleek ik twee belangrijke adressen te missen. Dankzij Vriendin was dat euvel heel snel verholpen en een afspraak zo gemaakt. Nu betaal ik de kapster altijd cash dus ik schreef voor maandag in mijn agenda geld halen.

Tussen de middag deed ik de boodschappen en vergat de tandpasta voor Zoon en het geld voor de kapster. Aansluitend aan mijn werkdag wandelde ik wederom naar mijn vriendelijk Buurt Super. Als eerste ging ik geld tappen. Maar ja, de titel zegt het denk ik al. Wat een pech, bankpas weg. Het apparaat slikte het pasje in één keer in. Hoefde er niet eens van te boeren.

Ondertussen is mijn bankpas geblokkeerd, heb ik een nieuwe pas aangevraagd, weet ik van Vriendin dat ik ook via een tikkie kan betalen, en heb ik de bankpas van Zoon gekregen voor het geval ik eerder boodschappen moet doen dan dat mijn nieuwe pas binnen is.

En dan ga ik nu een lekker kopje thee met veel suiker voor Moeltje maken. Misschien dat mijn pech dan eerder over is.

Rechts en links even handig

Niet dat dat wat wil zeggen aangezien ik lichtelijk motorisch gestoord ben. Ik ben dus aan beide zijde even onhandig. Iets waar ik vanmorgen tijdens het poetsen hardhandig aan herinnerd werd. Die pijnscheut bracht mij even terug in de tijd. Heeeeeel ver terug in de tijd.

In de tijd dat ik nog blond en onschuldig was, bracht de familie de zomers in Zeeland door. Op een camping. Achteraf bezien best knap dat mijn moeder, die echt wel last had van smetvrees, dat aandurfde. Mam was goed in het bedenken van work arounds.Ik vermoed dat Broer, vijf jaar ouder, wel naar het toiletgebouw mocht. Voor mij was dat verboden terrein. Ik moest op het potje, en werd ‘s-morgens, met behulp van een washandje en een klein bodempje water in de afwasbak, gewassen. Om Mam’s rug te ontzien, stond ik op een klapstoeltje. Stilstaan is ook niet mijn sterkste kant, dus op zekere dag klapte stoeltje en ik tegen de grond. Ik zei ‘au’, het stoeltje werd weer uitgeklapt en het waswerk werd voortgezet.

Lopende dag vond Mam dat mijn rechterarm er toch wel wat zielig bij hing. Bovendien deed ik ineens alles met links. Mam wandelde naar de receptie, belde de huisarts van het dorp waar wij overzomerde en maakte een afspraak. Het was de tweede keer die week dat één van haar kinderen naar die huisarts moest. Een paar dagen eerder had Broer een croquet bal tegen zijn hoofd gekregen, met vijf krammen in zijn wenkbrauw als resultaat. De huisarts concludeerde dat er met mij niets aan de hand was. ‘Ze is jaloers op de aandacht die haar broer krijgt,’ was zijn conclusie.

Zoals dat gaat kwam ook aan deze vakantie een einde. Precies op tijd dat niet de dorpsarts maar onze eigen huisarts de krammen uit Broers wenkbrauw mocht halen. Onze huisarts had geen goed woord over voor het knutselwerk van de dorpsarts. ‘Krammen? In het gezicht. Uit welke tijd stamt die man?’ Nadat de krammen waren verwijderd keek hij mij even strak aan en vroeg, ‘Wat heeft zij aan haar rechterarm?’ Mam deed het verhaal, inclusief de conclusie van de dorpsarts. Hoofdschuddend werd ik op de onderzoekstafel geplaatst en onderzocht. ‘Gebroken sleutelbeen,’ was de conclusie. ‘De bot einden groeien over elkaar, maar het is al te ver genezen om het nog te zetten, zonder het opnieuw te breken. Tot het helemaal genezen is zal zij wel tweehandig blijven. Misschien daarna ook nog wel.’ De huisarts bleek gelijk te hebben. Ik ben redelijk tweehandig onhandig geworden.

Het verhaal kreeg nog een staartje …

Net voor de volgende zomervakantie zag ik kans om een gat in mijn hoofd te vallen. No big deal, dat gebeurde mij minstens eenmaal per jaar. De huisarts maakte er een mooi borduurwerkje van en zei, Laat die prutser in Zeeland de hechtingen er maar uit halen. Misschien leert hij er nog wat van!’

Inderdaad misschien. Nadat de beste man even aarzelend naar zijn instrumentarium had gekeken heb ik (ik denk dat ik toen een jaar of vijf was) gewezen welke schaar en pincet je daar het beste voor kunt gebruiken.

Oh… en ik mocht vanaf dat jaar gewoon naar het toiletgebouw om mij te wassen en een plasje te plegen.

Daar sta je dan met je vooroordeel

Soms lees je een berichtje in de krant (of op Facebook) met als kop Man schiet zich tijdens het schoonmaken van geweer in de voet. In het artikel wordt het gebeuren beschreven als een ongelukje met een humoristische ondertoon. Een momentje van afleiding, pang, auw. Meestal staat er een foto bij van het slachtoffer, soms zelfs met het gewraakte geweer in de hand.

Ik vind die momentjes nooit humoristisch. Denk altijd verder. Aan de kat van de buren, de peuter die rondkruipt, moeder de vrouw die net op het verkeerde moment een kopje koffie komt brengen. Vind de personen meer dader dan slachtoffer. Bovendien vind ik schutters die zo weinig verstand hebben van hun speeltje te stom voor woorden.

Gisteren ging Zoon paintballen. Dat doet hij al een jaar of tien met enige regelmaat. Soms is de regelmaat ver te zoeken. Zoals het afgelopen jaar. Een paar weken geleden ging hij richting speelveld om mee te helpen opruimen. Het virus kreeg hem weer te pakken en gisteren vertrok hij bepakt en bezakt richting speelveld.

Weer thuis werd de schade in ogenschouw genomen. Aan de binnenkant van zijn dij zat een lelijke plek. ‘Degene die dat op zijn geweten heeft stond veel te dichtbij,’ zei ik. ‘kwashetzelf, zei Zoon.

Te stom voor woorden. Ugh. Daar sta je dan met je vooroordeel. 😉